https://www.douffetheuts.nl/kinderalimentatie-en-aanvaardbaarheidstoets/n127c0
 
Kinderalimentatie en aanvaardbaarheidstoets
1 november 2013
Douffet & Heuts
Eind 2012 heeft de Werkgroep Alimentatienormen een voorstel opgesteld voor de Richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie.

Kinderalimentatie en aanvaardbaarheidstoets

Eind 2012 heeft de Werkgroep Alimentatienormen een voorstel opgesteld voor de Richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie. De Richtlijn, inmiddels geruime tijd definitief, heeft wijzigingen per 1 januari 2013 en per 1 april 2013 teweeg gebracht. Een van die wijzigingen betreft de invoering van de aanvaardbaarheidstoets.

Volgens de nieuwe Richtlijn wordt bij berekening van de draagkracht van de alimentatieplichtige niet meer met de lasten in elk specifiek geval rekening gehouden, maar gaat men uit van forfaitaire bedragen. Er is een draagkrachttabel geïntroduceerd, waaruit te lezen valt welk bedrag aan draagkracht bij welk netto besteedbaar inkomen hoort. Die tabel is opgesteld aan de hand van een gestandaardiseerde formule, te weten dat 30% van het netto besteedbaar inkomen beschikbaar dient te zijn voor woonlasten en dat € 800, € 825 of € 850 in mindering wordt gebracht ten behoeve van het minimale eigen levensonderhoud. Op de uitkomst van deze formule dient nog het draagkrachtpercentage voor kinderalimentatie (70%) te worden toegepast.

Zijn er echter meer lasten dan in een standaardgeval en leidt dit tot een hoger draagkrachtloos inkomen en derhalve tot onaanvaardbare situaties, dan kan de alimentatieplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets en kan hij betogen dat er rekening dient te worden gehouden met een hoger draagkrachtloos inkomen dan hetgeen uit de formule volgt. Een beroep hierop is nodig indien tussen partijen geschil bestaat of er sprake is van extra lasten en of dit effect zou moet hebben op de draagkracht van de alimentatieplichtige. Indien succesvol dient het draagkrachtloos inkomen met die meerdere lasten te worden verhoogd.

De Werkgroep Alimentatienormen stelt vast dat sprake is van een onaanvaardbare situatie indien de alimentatieplichtige bij de vast te stellen kinderalimentatie niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien of van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt.

Tot op heden zijn er acht uitspraken gepubliceerd waarin een partij ter beoordeling aan de rechter een beroep heeft gedaan op de aanvaardbaarheidstoets. Wat kan uit deze uitspraken worden opgemaakt?

In de uitspraak van 11 april 2013 oordeelde de Rechtbank Noord-Holland dat het beroep op de aanvaardbaarheidstoets van de man niet slaagt, omdat hij weliswaar wel de kosten van de echtelijke woning zal blijven betalen maar dat hij zelf geen eigen woonlasten heeft. Volgens de rechtbank is met de gehanteerde formule al rekening gehouden met woonlasten, waardoor rekening is gehouden met betaling van de kosten van de echtelijke woning, ook al woont de man er zelf niet meer. De rechtbank verhoogt het draagkrachtloos inkomen van man wel met € 150,-- omdat partijen hebben afgesproken dat de man dit bedrag voor de aflossing van een schuld zal blijven voldoen. Tot zover slaagt het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets wel.

Verschillend hierin zijn de uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 april 2013, de Rechtbank Den Haag van 5 juni 2013 en de Rechtbank Rotterdam van 7 juni 2013. In deze zaken worden de hogere lasten niet klakkeloos in aanmerking genomen. Het verschil is dat het bestaan van die hogere lasten althans het effect van die hogere lasten op de draagkracht door de wederpartij werd betwist, zodat er inhoudelijk over geoordeeld moest worden.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat gezien het netto besteedbaar inkomen van de man van € 1.925,--, de betaling door de man van een ING polis premie van € 45,38 per maand voor hem niet zal leiden tot het niet meer kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan of tot het overhouden van minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm.

In de zaak voorgelegd aan de Rechtbank Den Haag is geoordeeld dat de man zijn netto woonlasten onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt en dat hij bovendien sinds het uiteengaan van partijen steeds een bedrag, hoger dan de vast te stellen kinderalimentatie heeft voldaan op de gezamenlijke kindrekening van partijen en dat hij daarnaast kosten in natura heeft voldaan op momenten dat de kinderen bij hem waren in de uitoefening van het co-ouderschap. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat hij voor deze bijdragen op zijn vermogen heeft moeten interen. Met anderen woorden, nu hij die kosten al die tijd heeft betaald, wordt hij ook in staat geacht om de vast te stellen kinderalimentatie te voldoen.

De Rechtbank Rotterdam oordeelde in haar uitspraak dat het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets niet kan slagen, omdat zijn netto woonlasten (uiteindelijk) even hoog zullen zijn als het berekende forfait van 30% van zijn netto besteedbaar inkomen. De rechtbank past echter zelf de aanvaardbaarheidstoets toe, omdat de man hogere omgangskosten zal hebben nu de kinderen met de moeder in Spanje zullen gaan wonen en hij ze aldaar tien keer per jaar gaat bezoeken.

Wat daarna volgt is vreemd. Het verschil tussen de hoogte van de kinderalimentatie bij wel en geen toepassing van de aanvaardbaarheidstoets bedraagt € 7,25. Gezien dit geringe verschil is de rechtbank van mening dat het hogere bedrag in dit specifieke geval niet onaanvaardbaar is stelt de hogere bijdrage vast. Dit lijkt niet correct, nu de kosten van de omgang in Spanje niet betwist althans weersproken waren. De rechtbank zou dan niet moeten komen tot een beoordeling van het soort effect dat die extra kosten met zich meebrengen maar had zij simpelweg de lagere bijdrage moeten vaststellen. Ook al levert dit een zeer klein verschil op. Temeer nu door de jaarlijkse indexering een dergelijk klein bedrag op lange termijn wel een wezenlijk verschil kan opleveren.

Uit de uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch van 27 juni 2013 blijkt (overigens ook uit andere uitspraken maar in deze expliciet door middel van de aanvaardbaarheidstoets) dat een verzoek tot nihilstelling van de kinderalimentatie ook na wijziging van de Richtlijn mogelijk is, ondanks dat er minimumbedragen zijn ingevoerd voor inkomens tot € 1.250,-- netto per maand. Het netto besteedbaar inkomen van de man in deze zaak steeg al niet boven de voor hem toepasselijke bijstandsnorm uit en het hof oordeelde aldus dat hij geen draagkracht had. Het hof kwam derhalve niet eens toe aan de vraag of na aftrek van de lasten het inkomen van de man minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm bedroeg.

De vraag is dan ook of de in de Richtlijn opgenomen minimumbijdragen houdbaar zijn. Diegenen die immers op bijstandsnorm leven, zullen wellicht vaker minder dan 90% daarvan overhouden na aftrek van relevante lasten. Handhaving van die minimumbijdragen kan ertoe leiden dat de alimentatieplichtige tot de minimumbijdragen wordt verplicht, of dat de alimentatiegerechtigde minder ontvangt omdat zij zelf ook die minimumbijdragen voor haar rekening moet nemen. Het loont zich dan ook om juist bij de minimuminkomens een berekening op de oude manier te maken naast de forfaitaire bedragen.

Uit de overige drie uitspraken blijkt geen bijzonder oordeel over de aanvaardbaarheidstoets, maar valt het een en ander wel op dat noemenswaardig is.

Te zien is bijvoorbeeld dat een hogere percentage ten behoeve van de zorgkorting mogelijk is en derhalve niet stopt bij 35%. Hiermee wordt deels tegemoetgekomen aan ouders die co-ouderschap toepassen, maar het gegeven dat co-ouderschap hogere kosten met zich meebrengt is daarmee nog niet ondervangen.

Voorts past de rechtbank Limburg in haar uitspraak van 3 juli 2013 de formule zelf aan ter berekening van de draagkracht van de man. Zo lijkt het althans, omdat uit de uitspraak niet volgt dat de vrouw dit zelf ook heeft betoogd. De rechtbank haalt de woonkostencomponent van 30% van het netto besteedbaar inkomen uit de formule omdat de man geen woonlasten heeft. De rechtbank verhoogt het netto draagkrachtloos inkomen vervolgens wel met € 95,-- omdat de man deze kosten verbonden aan de woning wel heeft.

Dit is opmerkelijk, nu de Werkgroep Alimentatienormen met het invoeren van deze formule eenvoud en uniformiteit beoogde. De uitspraak van de Rechtbank Limburg laat echter wel zien dat een redenering andersom mogelijk, te weten dat het draagkrachtloos inkomen lager is dan conform de formule. In de praktijk heeft men zich eerder kritisch geuit hierover, omdat het draagkrachtloos inkomen van een alimentatieplichtige vaak genoeg lager is dan de forfaitaire vaststelling, zodat er eigenlijk meer draagkracht zou zijn voor kinderalimentatie. Dit zal al gauw het geval zijn indien de alimentatieplichtige samenwoont en zijn woonlasten kan delen met een partner. In de oude Richtlijn diende men dan rekening te houden met de helft van de woonlasten. De Werkgroep Alimentatienormen heeft hier geen woord aan besteed in haar nieuwe Richtlijn.

Star vasthouden aan de forfaitaire formule ter berekening van het draagkrachtloos inkomen ten behoeve van de kinderalimentatie kan derhalve leiden tot vreemde uitkomsten, hetgeen ten tijde van het voorstel van de Werkgroep Alimentatienormen reeds werd voorzien.

Dit blijkt bijvoorbeeld uit de berekening van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in haar uitspraak van 10 september 2013. Aangezien de berekening van partneralimentatie nog op de oude manier plaatsvindt, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het geval, wordt gerekend met de daadwerkelijke lasten van de alimentatieplichtige. Dit, in tegenstelling uiteraard tot de forfaitaire berekening bij kinderalimentatie. In deze uitspraak heeft dit ertoe geleid dat de forfaitaire woonlasten van de man bij de vaststelling van de kinderalimentatie hoger waren dan de werkelijke woonlasten van man bij de berekening van zijn draagkracht ten behoeve van de partneralimentatie.

Hoewel de totale behoefte van de kinderen hoger was dan de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie, volgde door handhaving van de Richtlijn dat niet volledig in de behoefte van de kinderen werd voorzien maar dat het meerdere van de draagkracht van de man werd besteed voor partneralimentatie.

Dit is in strijd met de wet en zelfs met de eigen doelstelling van de nieuwe Richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen, te weten dat kinderalimentatie voorrang heeft boven partneralimentatie. Het is afwachten of rechters de kant van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opgaan of de kant van de Rechtbank Limburg.

Samenvattend blijkt uit de tot nu toe voorhanden zijnde gepubliceerde uitspraken dat een beroep op de aanvaardbaarheidstoets goed en gedetailleerd onderbouwd moet worden, maar dat zo nu en dan ook eigen invulling daarvan door rechters plaatsvindt. Over het algemeen wordt door de Richtlijn niet bereikt wat beoogd is, te weten eenvoud, versimpeling, uniformering en duidelijkheid. Enerzijds wordt de Richtlijn domweg toegepast en sluit men de ogen voor het resultaat daarvan terwijl dit in strijd is met de wet, anderzijds wordt creatief omgegaan met de Richtlijn en wordt de forfaitaire formule aangepast aan de omstandigheden van het geval. Aan de advocaat derhalve om hier bedachtzaam op te zijn.