https://www.douffetheuts.nl/verval-van-recht-ex-art-7-941-bw-voor-mogelijk-liegende-third-party-hoge-raad-nee-bewijs-na-17-jaar-nog-mogelijk/n147c0
 
Bij een auto-ongeluk in 2001 claimde een vrouw dat zij als bijrijder van de aangereden auto letsel had opgelopen. De vrouw had eerst geen klachten, maar wel de volgende dag waarvoor zij zich meldt bij haar huisarts.

Bij een auto-ongeluk in 2001 claimde een vrouw dat zij als bijrijder van de aangereden auto letsel had.

letselschade whiplash 

De vrouw had eerst geen klachten, maar wel de volgende dag waarvoor zij zich meldt bij haar huisarts. Deze stelt een whiplash vast en de klachten worden almaar erger.

Er worden wat voorschotten uitgekeerd door de aansprakelijke verzekeraar. Wanneer de advocaat van de vrouw een aansprakelijkstelling aan de schuldige bestuurder stuurt, meldt deze dat er geen passagier in de aangereden auto zat. De verzekeraar stopt met het verstrekken van voorschotten en vraagt om bewijs dat de vrouw in de auto zat ten tijde van het ongeval.

Er wordt geprocedeerd.  De vrouw riep enkele getuigen op om te bewijzen dat zij wel als bijrijder in de auto zat. De getuigen bevestigen de stelling van de vrouw. Later bleek dat deze getuigen op verzoek van de vrouw een valse verklaring hebben afgelegd.

Het wordt allemaal erg lelijk. De verzekeraar doet aangifte van oplichting, valsheid in geschrifte waaraan meineed is toegevoegd. Er volgen wat strafrechtelijke veroordelingen van de getuigen, maar ook de vrouw en haar zoon, de bestuurder van de aangereden auto, worden (gedeeltelijk) veroordeeld. Hierna wijst het gerechtshof de vorderingen van de vrouw toch toe, nadat de rechtbank deze heeft afgewezen.

In cassatie stelt de verzekeraar dat hij ook jegens de vrouw, die geen verzekeringnemer/verzekerde is maar derde-benadeelde, verval van recht kan inroepen vanwege het met opzet de verzekeraar proberen te misleiden. Bovendien, gezien het gebrek aan bewijs is onbegrijpelijk dat het gerechtshof de vorderingen van de vrouw heeft toegewezen.

Verzekeringsovereenkomsten zijn bijzonder. De verzekeringnemer sluit een verzekering af bij een verzekeraar. Zij staan dan in een contractuele verhouding tot elkaar. Deze overeenkomst gaat uit van een hoge mate van vertrouwen. De verzekeraar is immers sterk afhankelijk van informatie van de verzekeringnemer, zowel bij het sluiten van de verzekering als na het plaatsvinden van de gebeurtenis waartoe de verzekering strekt. Deze informatie valt voor een verzekeraar vaak niet of niet voldoende te controleren.

Het is de verzekeringnemer die toetst of hij voldoet aan de voorwaarden voor een verzekering. Het is tevens de verzekeringnemer of de verzekerde die een schademelding maakt en daarover informatie verstrekt. De wet regelt deze verhouding. De schademelding moet zo spoedig mogelijk worden gedaan en alle inlichtingen en bescheiden moeten binnen redelijke termijn worden verschaft zodat de verzekeraar zijn uitkeringsplicht kan beoordelen.

De wet bevat ook een sanctie als hieraan niet wordt voldaan doordat er met opzet de verzekeraar wordt misleid, behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt. Het recht op uitkering vervalt dan in zijn geheel. De sanctie bestraft het schenden van het vertrouwenskarakter van de verzekeringsovereenkomst.

De bijzondere figuur is de derde partij, het slachtoffer van een ongeval, veroorzaakt door een motorrijtuig, dat jegens de verzekeraar een eigen recht op schadevergoeding heeft op grond van de WAM. De verzekeraar is dan nog meer overgeleverd aan de informatie die dit slachtoffer verstrekt. Echter, er is geen contractuele verhouding tussen het slachtoffer en de verzekeraar.

De Hoge Raad oordeelt in zijn arrest van 6 juli 2018 dan ook dat het verval van recht van art. 7:941 lid 5 BW niet van toepassing is. Ook een analoge toepassing is niet mogelijk. De rechtsverhouding ligt geheel anders en hangt samen met de rechtsverhouding tussen het slachtoffer en de verzekerde. Bovendien heeft art. 7:941 BW een sanctiekarakter en kan het worden toegepast op veel gevallen van misleiding. Bijvoorbeeld misleiding over de toedracht van het ongeval of misleiding over de omvang van de schade.

Verval van recht op uitkering kan verstrekkend zijn. Het slachtoffer krijgt dan niets meer van de verzekeraar. Een dergelijke sanctie zonder een wettelijke basis gaat te ver voor de Hoge Raad. Het aanvaarden van een algemene buitenwettelijke regel, die zegt dat bij opzettelijke misleiding van de verzekeraar het eigen recht van het slachtoffer op grond van art. 6 WAM vervalt, is geen plaats.

De Hoger Raad vernietigt toch het arrest van het gerechtshof.  De bewijzen van de vrouw zijn haar eigen verklaringen, die van haar zoon en van bijvoorbeeld haar huisarts. Onder andere deze laatste is echter terug te voeren op de eigen verklaringen van de vrouw. De zoon is slechts gedeeltelijk veroordeeld voor de valsheid van zijn verklaringen. Dit maakt echter nog niet dat zijn verklaring over de aanwezigheid van de vrouw in de auto zonder meer betrouwbaar is. De zoon heeft immers op andere punten wel onwaarheden vertelt waarvoor hij is veroordeeld. Ook hebben de veroorzaker van het ongeval en zijn zoon verklaard dat de vrouw niet in de auto zat, terwijl zij geen belang hebben bij de uitkomst van de zaak. De vrouw heeft wel belang bij de uitkomst van de zaak. Het hof heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd, gezien deze omstandigheden, waarom de vrouw in haar bewijsopdracht is geslaagd.

De zaak wordt terugverwezen naar het hof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing. Kortom, het bewijs moet opnieuw worden beoordeeld en opnieuw worden gemotiveerd welke beslissing daarover wordt genomen. De vrouw kan proberen het bewijs aan te vullen, maar na bijna 17 jaar en met een bepaalde reputatie zal doet moeilijk zijn.

Overigens staat er een ander middel tot beschikking van de rechter, dat ook zwaar kan uitpakken, te weten art. 21 Rv. Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Dat kan betekenen: afwijzen van de vordering van bedriegende partij. Dit artikel geldt in ook dit soort procedures en in iedere verhouding tussen procederende partijen. Een beroep daarop was wellicht succesvoller geweest dan een beroep op verval van recht in een verhouding waarop die sanctie niet van toepassing is.

Heeft u een letselschadezaak? Een aansprakelijkheidskwestie? Neem contact op! Wij treden alleen voor slachtoffers op.