https://www.douffetheuts.nl/kaper-op-de-kust-vaststelling-vaderschap-en-erfrechtelijke-gevolgen/n136c0
 
Als uw vader overlijdt en u komt erachter dat u een halfbroer/zus heeft waar u het bestaan niet van af wist, dan heeft dat natuurlijk grote emotionele gevolgen binnen uw familie.
kaper-op-de-kust-vaststelling-vaderschap-en-erfrechtelijke-gevolgen

Als uw vader overlijdt en u komt erachter dat u een halfbroer/zus heeft waar u het bestaan niet van af wist, dan heeft dat natuurlijk grote emotionele gevolgen binnen uw familie.erfrecht vaderschap erkenning

Er kunnen zich echter ook financiële gevolgen voordoen. Het kan namelijk zo zijn dat u en uw familie de erfenis moeten delen met dit kind. Hoe zit dit juridisch precies?

Artikel 1:207 BW regelt de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, ook indien de vader is overleden. De moeder kan een dergelijk verzoek doen, maar het kind kan dit ook zelf. De bedoeling van het artikel is om vaderschap toch vast te kunnen stellen, ook al werkt de biologische vader niet vrijwillig mee. De rechter kijkt in dit geval niet naar het belang van de vader, maar kijkt alleen naar het belang van het kind. Het recht om een vader te hebben en te weten wie dit is, weegt namelijk zwaarder dan het recht van de biologische vader.

Voor het kind zit er geen termijn aan het indienen van een verzoek tot vaststelling van het vaderschap. Het maakt dus niet uit dat het kind al tientallen jaren weet wie zijn biologische vader is voordat hij een verzoek tot vaststelling doet.

Vanuit het oogpunt van de vader is het problematisch dat er geen termijn zit aan het instellen van een dergelijke vordering. Zo heeft het zich wel eens voorgedaan dat een man op leeftijd nog voor de rechter moest verschijnen omdat het biologische kind (inmiddels ook al op gemiddelde leeftijd) van de man een afstammingsband tussen hen wilde creëren, terwijl zij nooit enige vorm van contact hebben gehad. Voor de oude man die niet afwist van het bestaan van het kind heeft dit grote gevolgen omdat de afstammingsband met terugwerkende kracht vanaf de geboorte wordt vastgesteld op grond van artikel 1:207 lid 5 BW. Het kind heeft daardoor automatisch recht op de erfenis van de man. Wel kan de man in zijn testament dit kind uitsluiten, maar deze zal altijd recht blijven houden op de legitieme portie. Er kunnen dus soms vraagtekens worden gezet bij de bedoeling van het biologische kind, aangezien het kind nooit contact heeft gehad met zijn vader en dit rechtsmiddel nu pas wellicht aanwendt , slechts voor het krijgen van de erfenis.

Dit vermoeden is des te groter als de biologische vader al is overleden. Zoals al eerder is aangegeven kan gerechtelijke vaststelling van het vaderschap namelijk ook geschieden na het overlijden van de vader. In een uitspraak van de Hoge Raad van 19 februari 2012 wordt duidelijk gemaakt dat ook in dit geval de rechter alleen kijkt naar het recht van het kind op het hebben van een vader. Het belang van de andere familieleden, die immers een nieuw familielid opgedrongen krijgen, wordt niet beschermd. Ondanks het feit dat er nooit contact is geweest tussen de vader en het kind, maakt het kind dus aanspraak op de erfenis als het vaderschap gerechtelijk wordt vastgesteld. De familieleden moeten dan de erfenis met het kind delen. Zelfs als de erfenis al is verdeeld, moet de erfenis opnieuw verdeeld worden als het kind de verdeling op grond van artikel 3:195 BW vernietigt. De familieleden moeten dan een deel van de erfenis teruggeven. Artikel 1:207 lid 5 bepaalt wel dat dit alleen geldt voor de bedragen die nog niet zijn uitgegeven. De verbrassende erfgenaam hoeft daarom minder terug te geven dan de spaarzame!

Echter, er is nog hoop voor de man op leeftijd die nog voor de rechter moet verschijnen omdat zijn (ook al op leeftijd zijnde) biologische kind een afstammingsband tussen hen wil creëren. Het oorspronkelijke wetsvoorstel van artikel 1:207 BW bevatte namelijk wél een termijn, te weten  drie jaar nadat aan het kind bekend is geworden wie zijn verwekker kan zijn of binnen drie jaar nadat het kind meerderjarig is geworden als hij bekend is geworden met de eventuele verwekker tijdens zijn minderjarigheid. Deze termijn van drie jaar was gebaseerd op de termijn die wordt gesteld in de artikelen 1:200 lid 6 en 1:205 lid 4 BW (ontkenning van vaderschap).

De leden van de PvdA-fractie hebben de minister gevraagd waarom er een termijn van drie jaar in het artikel is opgenomen, en daarbij een relatie is gelegd met ontkenning van het vaderschap. Daarbij vroegen zij zich af waarom niet is gekozen voor een onbeperkte termijn voor het kind om een afstammingsband te creëren, net zoals in Duitsland, Engeland en Scandinavië het geval is. De minister was het ermee eens en stelde dat erkenning (art. 1:203 en 1:204 BW) ook niet aan een termijn gebonden was. Bij nota van wijziging is daarom art. 1:207 lid 4 (ontwerp) vervallen, waardoor het kind een onbeperkte termijn heeft gekregen.

De vergelijking van de minister loopt echter mank. Erkenning van een kind door een vader is namelijk niet meer mogelijk als die vader is overleden, terwijl dit nu bij vaststelling van vaderschap wel kan. Er zit dus wel degelijk een termijn aan erkenning.  Bovendien kunnen erkenning en vaststelling van het vaderschap niet met elkaar worden vergeleken. Bij erkenning heeft de vader toestemming van de moeder en/of het kind nodig. Bij vaststelling hoeft het kind geen toestemming van de vader te hebben.

Een duidelijk argument dat de wetgever zich bewust is geweest van de erfrechtelijke consequenties van deze onbeperkte termijn is in de Parlementaire Geschiedenis niet te vinden!

Klopt iemand bij u aan met de melding dat hij of zij het gerechtelijk vaderschap wil laten vaststellen? Bent u een kind of hebt u een kind waarvan het vaderschap niet vaststaat, maar wenst u dit wel te regelen?  Neem dan contact op met een van onze familierechtspecialisten.